s-Morgens op tijd de camper gehaald, alle spulletjes erin en voor 12 uur waren we op pad, richting Coo. Vlakbij de watervallen kunnen we overnachten.

In het midden van de 18e eeuw ontstond er door het afsnijden van een meander (lus in de natuurlijke waterloop) een dubbele waterval (15 meter hoogte), de Watervallen van Coo.

In de rivier de Amblève, worden met een hoogte van 15 meter vaak als de hoogste watervallen van België beschouwd. De hoogste waterval van België is echter de waterval van Reinhardstein in de vallei van de Warche. Deze waterval is zelfs 60 meter hoog.

De kleine waterval bestond al in of vóór de 15e eeuw. In opdracht van de prins-abt van het Abdijvorstendom Stavelot-Malmedy is in de 17e eeuw door monniken de grote waterval gemaakt, waarschijnlijk om het aan de meander gelegen Petit-Coo tegen overstromingen te beschermen.



Coo (Petit Coo). Saaie CP, prachtige bloemen en de niet hoogste waterval van België.

Mooi weer, goed geslapen en op weg naar Millery. Een mooie plaats direct aan de Moezel.  Nog even het dorpje ingelopen, wel kolibrie vlinders gespot en uiteindelijk aan de Moezel een biertje gepakt.
Het was wel direct aan de doorgaande weg, dus Petra vroeg wakker. Vanhier uit, via een niets te beleven camping naar Besançon gereden.



Millery a/d Moezel. Leuk publiek, neppie, kolibrie vlinder en vergane glorie.

We zijn al tig keer langs Besançon gereden en besloten nu maar eens de stad een bezoek te brengen.
De citadel van Besançon, een meesterwerk van wie anders dan van ingenieur Vauban, is een opmerkelijke getuigenis van militaire architectuur uit de 17e eeuw. Deze vestingen hebben mooie uitzichten over de daken van de stad en de vallei van de Doubs.

Het historische centrum van Besançon is gelegen aan de voet van de citadel. De Saint-Jean kathedraal en haar schitterende astronomische horloge die bestaat uit 30.000 onderdelen, het Granvellepaleis, de Vaubankade met huizen met bogen die uitkijken op de rivier de Doubs.
Het geboortehuis van de bekende schrijver Victor Hugo, de mooie herenhuizen uit de 16e, 17e en 18e eeuw zijn plaatsen en monumenten om te ontdekken tijdens het kuieren.
Al met al, zeer de moeite waard, en onze CP lag direct onder aan de citadel, s-avonds prachtig verlicht.



Besançon. Op weg naar het centrum, mooi promotieteam, Port Noir, La Chapelle en de verlichte citadel.

Op weg naar Thonon-les-Bains vanwaar we de Alpen intrekken. Maar eerst strijken we neer op een camping in Divonne-les-Bains.
Van hier uit fietsen we naar Genève. Het 25 km heen en 25 km weer terug. Heen geen probleem, heuveltje af en langs het meer van Genève. Terug een ander verhaal, vooral de laatste 5 km. Een beproeving, maar gered.
Het Meer van Genève, Frans: Lac Léman of Lac de Genève, is een groot meer op de grens tussen Zwitserland in het noorden en Frankrijk in het zuiden.
Het heeft een oppervlakte van 584 km² en is maximaal 310 meter diep, waardoor de bodem van het meer slechts 62 meter hoger dan de zeespiegel gelegen is. Het wordt vooral gevoed door de Rhône, die het meer in het zuidoosten bereikt en in het zuidwesten bij Genève weer verlaat. Het meer ligt ingesloten tussen de Jura en de Alpen. Voordat de winter invalt, verlaagt men het waterniveau in het meer, teneinde de schade van kruiend ijs in de winter beperkt te houden. Pas aan het begin van de zomer wordt het niveau weer hoger.



Genève. Onderweg naar .... langs het meer, kathedraal Saint-Pierre, prachtige meters hoge fontein, Hotel de Ville en Kunst in het park.

De Route des Grandes Alpes

De Route des Grandes Alpes is een 684 kilometer lange route door de Franse Alpen. Deze bergtrip brengt ons van het meer van Genève naar de Middellandse Zee.

We beginnen onze reis in Thonon-les-Bains. Als we naar het zuiden rijden, kunnen we al de besneeuwde toppen van de Mont Blanc zien, de hoogste berg van de Alpen. We nemen route D902 en rijden richting Morzine. We rijden langs de Vallée Verte (Frans voor groene vallei). Na 15 km bereiken we de Gorges du Pont-du-Diable. Deze zeer diepe canyon is uitgesneden door de rivier de Drasne.

Het enorme rotsblok dat de boog vormt boven de rivier de Drasne heeft ook de naam "Le Pont du Diable: de Duivelsbrug. Vroeger werd deze enorme rots door de bewoners gebruikt als oversteek tussen Jotty en La Forclaz.
Ze namen het pad waarvan we nog de sporen zien in de rots. Dit scheelde hun een 4 km lange omweg via de brug van Bioge. De Duivelsbrug werd gebruikt toen de eerste rondleidingen begonnen, dat was in 1893.



Gorges du Pont-du-Diable.  Oude sporen, Petra onder de Duivelsbrug, onderweg en de vele trappen weer naar boven.

We vervolgen onze weg op de D902  en komen uit bij de ruïnes van de abdij van Aulps. Dit was een belangrijk cisterciënzerklooster in deze regio voor bijna zevenhonderd jaar, vanaf de stichting in 1090 tot haar onderdrukking in 1793. De kerk werd gedeeltelijk vernield in 1823 door de lokale bevolking die op zoek waren naar stenen, maar de prachtige gevel is blijven staan.
Naast de ruïnes van de abdij, geclassificeerd als historisch monument in 1902, bevat het drie hectare grote landgoed ook een aantal boerderijen, kelders, een poortgebouw en een kruidentuin.

Abdij van Aulps

We laten Morzine links liggen (één van de vele wintersport oorden, en er zullen vele volgen) en blijven de vallei volgen tot Cluses. Daar verlaten we de D902 voorlopig en beginnen de D4 te volgen naar Le Grand Bornand.

Net na het verlaten van Cluses, begint de weg te klimmen. Dit is de voet van de Col de la Colombière. Met zijn 1613m is de Colombière de eerste bergpas hoger dan 1500m op onze weg. Naarmate we verder stijgen, beginnen de bomen plaats te maken voor rotsformaties en alpenweiden. De klim is 16,3 km lang. Over deze afstand, klimmen we 1108m op een gemiddeld percentage van 6,8%. Het steilste gedeelte in de buurt van de top is 10,2%.




Col de la Colombière.
Op weg naar ...., de col, een waarschuwing voor klimmers en wij (het ultieme bewijs).

Na de Col de la Colombière volgt er een 12 km lange afdaling naar Le Grand Bornand, een skistation dat zijn naam dankt aan de rivier die er doorheen stroomt. Hier is een mooie plek voor de overnachting, gratis en tussen de bergen.



Rondom de camperplaats in Le Grand-Bornand

Net na het verlaten van Le Grand-Bornand passeren we Saint-Jean-de-Sixt, op weg naar de Col des Aravis (1486m). Op het hoogste punt van de bergpas is er een kleine kapel gewijd aan Sint-Anne voor de bescherming van de reizigers langs de route.

In Flumet aangekomen, nemen we de D1212 en volgen de Arly stroomafwaarts richting Ugine en daar nemen we de D925 naar Bourg-Saint-Maurice. Vlak na het stadje Beaufort beginnen we de beklimming van de Cormet de Roselend (1968m). Het is een 20,3 km lange klim naar de top met veel haarspeldbochten, zowel naar boven als later ook naar beneden, met prachtige uitzichten. We rijden rond het Roselend stuwmeer. De stuwdam die 800 m lang en 150 meter hoog is, kan tot 185 miljoen kubieke meter water bevatten.



Cormet de Roselend. Sint-Anne , Roselend stuwmeer, onderweg

In Bourg-Saint-Maurice is een mooie gratis camperplaats aan het water, maar de gemeenschap heeft besloten om daar een dwarsbalk te plaatsen, en daar konden we echt niet onderdoor. Dus maar naar een camping, Huttopia.

Na het verlaten van Bourg-Saint-Maurice vervolgen we onze weg op de D902. Deze loopt nu langs het nationaal park Vanoise. Het was het eerste Franse nationale park bij zijn oprichting in 1963.
Onderweg zien we ook Lac Chervril (het stuwmeer van Tignes). Na de tweede wereldoorlog had Frankrijk elektriciteit nodig en er werd besloten om een hydro-elektrische dam te bouwen in deze vallei. Hoewel deze dam een groot succes voor de Franse ingenieurs was en deze voor het grotere goed van Frankrijk werd gebouwd, betekende dit dat het oude dorp van Tignes in het meer kwam te liggen. In 1952 werd de dam voltooid en verdween het dorp onder water. Om de 10 jaar wordt het meer geledigd voor onderhoudswerkzaamheden en zijn de overblijfselen van het oude dorp zichtbaar.

We zullen alleen de Col de l'Iseran beklimmen en terug afdalen. Met zijn 2770m is het de hoogste verharde bergpas in de Alpen. Hij verbindt de valleien van de Isère en de Arc tussen Val-d'Isère in het noorden en Bonneval-sur-Arc in het zuiden. Tijdens de klim passeer je een aantal galerijen en tunnels, met een maximum stijgingspercentage van 12%. In totaal is de klim is 48 km lang met een gemiddelde helling van 4%.



Col de l'Iseran. Onderweg, op de col en restanten van de Tour de France.

15 kilometer na de top van de col bereiken we Bonneval-sur-Arc. Het is bekend als het mooiste dorp van de hele regio. De authenticiteit die hier is blijven hangen geeft een prachtig voorbeeld van hoe het leven vroeger was in de Alpen. Traditionele architectuur, nauwe steegjes en de inrichting het dorpje zijn zeldzame getuigen van de traditionele Alpijnse levensstijl.

Bonneval-sur-Arc is ook de hoogst gelegen gemeente in Frankrijk, gezien volgens de gemiddelde hoogte die 2713m bedraagt. Het dorp zelf ligt op een hoogte van 1850 m.



Bonneval-sur-Arc

Omdat het nummer van de D902 verandert in Lanslebourg, rijden we nu op de D1006 en blijven we de Arc volgen verder de vallei uit. Na ongeveer 20km zien we de Esseillon Barrière. Dit is een serie van vijf vestingwerken gebouwd op de rotsen die boven de vallei uittorenen. Ze werden vroeger gebruikt om de regio Piëmonte te beschermen tegen een mogelijke Franse invasie. Het complex bestaat uit vijf bolwerken die de namen van de leden van de familie van Savoye dragen.
Gebouwd tussen 1819 en 1834 moesten de forten van Esseillon de toegang tot de Col du Mont Cenis beschermen, die een belangrijke verbinding vormde met het Sardijnse koninkrijk (nu Italië). Omdat er in 1857 een Frans-Sardijns vredesverdrag werd getekend, hebben de forten nooit strijd geleverd, en werden ze alleen gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevangenissen.

Deze vestingwerken werden gebouwd naar het model van Montalembert. Dit model is gebaseerd op een principe van verschillende forten en kanontorens die elkaar met kruisvuur kunnen beschermen. Vier versterkingen zijn gelegen op de rechteroever van de Arc, de vijfde ligt aan de andere kant van de rivier. Een kleine brug genaamd de duivelsbrug vormt een verbinding tussen de steile kliffen waarop de forten zijn gebouwd.



Forten van Esseillon. De forten en de duivelsbrug.

Als we verder het dal uitrijden komen we uiteindelijk in Saint-Michel de Maurienne, waar we de D1006 verlaten en de Arc oversteken om weer op de D902 te belanden. Onmiddellijk na het oversteken van de rivier begint de weg weer te klimmen: we zijn nu op de Col du Télégraphe, de noordelijke aanlooproute van de Col du Galibier.

Op de Col du Télégraphe zien we nog een verdedigingsbolwerk: het Fort du Télégraphe, ook wel Fort Berwick genoemd. Gelegen op een hoogte van 1.585 m was hier vroeger een telegraaf ondergebracht om berichten tussen Frankrijk en Italië te kunnen sturen. Dit verklaart ook de naam van de col. Het fort heeft twee toegangspoorten met ophaalbruggen. In het fort zijn alle niveauverschillen overbrugbaar met hellende vlakken om het verplaatsen van artilleriestukken mogelijk te maken. Het Fort du Télégraphe zag actie in 1940 toen het vuurde op de binnenvallende Italiaanse troepen met zijn 155mm kanonnen.

De Cols du Télégraphe en de Galibier zijn vooral bekend onder wielertoeristen door hun regelmatige beklimmingen in de Tour de France. De Télégraphe is 11,8 km lang en stijgt 856m tegen een gemiddelde van 7,3%. Na de top is er een kleine afdaling van 4,8 km naar Valloire. Daar begint de eigenlijke klim naar de top van de Col du Galibier. Die is 18,1 km lang met een gemiddelde van 6,9% (hoogteverschil: 1245m). De maximale helling is 10,1% aan de top (2645m).

Vlak na de top van de Galibier is er een monument voor Henri Desgrange, de eerste directeur van de Tour de France. Iedere keer dat de tour de Galibier beklimt, wordt daar een bloemenkrans neergelegd.

Van alle cols die we nu gereden hebben is de Col du Galibier wel een ontzettend beest. Werkelijk ontzag voor de col, maar ook voor de wielrenners.



De Cols du Télégraphe en du Galibier

Na de 8,5km lange afdaling van de Galibier komen we aan de voet van de Col du Lauteret (2058m). Deze col is uitgesleten door een gletsjer, waardoor hier geen steile hellingspercentages te vinden zijn. Om deze reden werd de Col lang gebruikt als verbindingsroute tussen Grenoble en Briançon, en ook voor het bereiken van Italië door de Alpen.

Voordat we richting Briançon gaan, reizen we eerst naar camping Les 2 Glaciers, een natuur camping. Zondag wandelen we langs de rivier richting Le Monêtier-les-Bains en doen ons tegoed aan mosselen in restaurant Le Montagn'art.



Onderweg naar en van Le Monêtier-les-Bains

Het historische centrum van Briançon lijkt wel een versterkte burcht. Het werd gebouwd door Vauban (een beroemd militair ingenieur) om de regio te beschermen tegen een mogelijke inval van de Oostenrijkers in de 17de eeuw. Na een lekkere crêpe, wandelen we terug en nemen we  de D902 en beginnen met de klim van de Col d’Izoard. De totale klim duurt ongeveer 20 km. Het zware deel van de klim heeft een stijgingspercentages rond de 8% en veel haarspeldbochten.
Wanneer we dichter bij de top van 2360m komen, verandert het landschap plotseling. De bomen maken plaats voor de Casse-woestijn, een microklimaat rond de top van de Izoard waar bijna geen planten groeien. Door het ruwe aanzien van de kale rotsen lijkt het soms wel een maanlandschap.

Briançon, op de Col d’Izoard, Casse-woestijn en verdere afdaling.

We rijden richting Barcelonette, waar we overnachten. Maar eerst nog de Col de Vars (2108m). Een paar kilometer na de top van deze col kunnen we nog een versterkt complex te zien, het Fort de Tournoux. Het werd gebouwd tussen 1843 en 1900 om Frankrijk te verdedigen tegen een invasie van Italië. Het is bekend als het "Militaire Versailles van de 19e eeuw," en lijkt op een Tibetaans klooster in de bergen boven de Ubaye vallei. Uiteraard was het gesloten toen wij het wilden bezichtigen.

Het fort is gebouwd op de zijkant van een berg op verschillende niveaus van 1300 tot 2000 meter hoog. De haarspeldbochten waren zo geconstrueerd dat muilezels hun dubbelzijdige karren er konden parkeren om dan zelf rond de kar te lopen om opnieuw aan de andere kant de kar verder de berg op te trekken. Zo werd vermeden dat de karren zelf een bocht moesten nemen en werd het risico dat de kar zou kantelen en het ravijn invallen veel kleiner.



Op weg naar Barcelonette, Mademoiselles onderweg en Fort de Tournoux.

Vanuit Barcelonette over de Col de la Cayolle. Met zijn top van 2326m zorgt de Col de la Cayolle voor een verbinding tussen de valleien van de Ubaye in het noorden en de Var in het zuiden.
Het "weggetje" dat we gereden hebben is er niet één die Petra nogmaals wil rijden. Een waarschuwing bij het begin, over een afstand van 27 km, slects 2.4 meter breed en een hoogte van 3 meter. Zoals altijd, moet kunnen, zei Willem. En inderdaad, zonder kleerscheuren, maar wat een prachtige rit.
Na de Col en de Gorge, laten we de Route de Grandes Alpes achter ons en reizen we verder via o.a. de Provence richting Pyreneeën.
In Entrevaux is een rustige camperplaats direct achter het station, en nee, s-nachts rijden er geen treinen. Het oude stadje is een Vauban creatie (alweer). Boven het stadje torent de citadel uit, maar te warm om naar boven te klauteren, beter een cappuccino in het stadje zelf.

Barcelonette, de Gorge, Col de la Cayolle en Entrevaux.

Achter het dorpsplein in Castellane loopt een pad omhoog, na ongeveer een half uur lopen kom je aan bij de kapel Notre Dame du Roc (911m), daar is een terras waarvandaan een mooi uitzicht mogelijk is op Castellane en het dal van de Verdon. Het kapelletje uit 1876, gebouwd op de ruïnes van een eerste kapel uit de 9de eeuw op de rots, ligt bijna 200 m boven Castellane.
Het is een prachtige wandeling, zeker als je in alle vroegte gaat lopen. Onderweg zijn staties, de kruisweg van Jezus, tot aan de kapel.



Castellane. De Roc, onderweg naar de Roc, het kapelletje en van binnen.

We gaan op weg naar de Mont Ventoux, en gaan nu naar de Col vanuit het oosten. Het westen hebben we al eens gedaan en toen kwamen we boven in de mist. Dat hopen we nu niet te hebben.
De Mont Ventoux is een berg in het departement Vaucluse in het zuiden van Frankrijk. Deze top in het Massif des Cèdres is de enige van deze hoogte (bijna 2000 m) in de streek de Provence en hij wordt daarom ook wel de Reus van de Provence genoemd.
De naam 'Mont Ventoux' is afgeleid van het Occitaanse woord vent dat wind betekent en zou zijn opgedragen aan Vintour, de Keltische (Liguurse) god van de wind. Er zijn op de top van de berg windsnelheden tot 300 km/uur geregistreerd. Een andere verklaring van de naam dateert uit de 1e of 2e eeuw na Christus. De Gallische naam laat zich reconstrueren als 'Ven-top(s)', hetgeen 'sneeuw-top' betekent.
De berg is het meest bekend doordat de beklimming ervan herhaaldelijk is opgenomen in enkele gerenommeerde wielerwedstrijden, zoals de Ronde van Frankrijk, vanwege de moeilijkheidsgraad en het kale 'maanlandschap'.
Ook deze keer is het weer mistig op de Col, wel een stuk minder druk.



Mont Ventoux. Onderweg Lac de Sainte Croix, de onvermijdelijke lavendel velden, naar en op de Col.

Na de Mont Ventoux, vinden we een redelijk camperplaats, wat later een beetje verkeerde keus leek, een beetje stank overlast (als de wind verkeerd staat), maar s-nachts oké. Toch goed geslapen en op weg naar onze weekend camping in Salles sur Verdon. Een Huttopia camping met een strandje aan de Ardèche. Moh, als je de keien wegdenkt en je dump een paar ton zand, dan zeg ik ja. Maar in de buurt is een restaurant waar ze lokale gerechten reserveren en op loopafstand ook nog eens een dorpje uit het rijtje De Mooiste Dorpen van Frankrijk, Aiguéze.



Salles sur Verdon: Huttopia camping, Pont de Sainte-Croix over de Le Verdon (waar we overheen moeten), het restaurant voor de brug en Aiguéze.
 

Villefranche-de-Conflent.

Ons doel is om fort Liberia te bezoeken en met de Train Jaune te reizen. We overnachten op de parking van het station, direct onder het fort.

Het dorp zelf ligt op een strategische plek tussen de hoge rotsen en de plek waar de rivieren Têt en Cady bij elkaar komen. De militaire waarde van het stadje was eeuwenlang groot.
Als je het in Frankrijk hebt over militaire vestingen, dan praat je al snel over Vauban. Deze van oorsprong Bourgondiër vocht vanaf zijn twintigste levensjaar voor het leger van Lodewijk XIV. Een goed gekozen carrière want in de achttiende eeuw was er voor militairen in Frankrijk genoeg te doen.
De Zonnekoning hield wel van een oorlog op zijn tijd en hoewel Frankrijk bijna geen oorlog wist te winnen, was Vauban één van de generaals die wél succesvol was. Hij heeft ook in Nederland gevochten en de verdedigingswerken van Maastricht gebouwd.

Naast de hoge muren van het stadje zelf heeft Vauban aan de andere kant van de rivier de Têt een grote burcht gebouwd: Fort Liberia.
De kanonnen van deze burcht gaven de Fransen de complete controle over de nauwe vallei die aan alle kanten is omgeven door hoge bergen. Om de logistiek te verbeteren, besloot Napoleon III in de negentiende eeuw tussen het stadje en de burcht een tunnel te graven, een uitdagend plan. Resultaat is een lange tunnel met bijna duizend treden. Deze hebben we wel naar beneden genomen en niet naar boven. We hebben hier wel 2 dagen spierpijn in de kuiten aan overgehouden.



Fort Liberia. Op weg naar ..., tuurlijk een kerker, op het fort, eronder en uitpuffen in het stadje.

Na dit interessante bezoek, s-morgens vroeg op (ja, zeven uur) om een plaatsje in de trein te reserveren.

We kunnen lekker uitrusten van de inspanningen van de vorige dag. Villefranche-de-Conflent vormt het vertrekpunt. De streek Cerdagne was nooit eenvoudig om te doorkruisen, met zijn ruige dalen en toppen. Aan het begin van de 20e eeuw werd de ruim 60 kilometer lange lijn aangelegd die Villefranche met Latour-de-Carol op de grens met Spanje verbindt. Over die spoorlijn loopt nu het opvallende gele treintje, dat een ideale manier vormt om het gebied te ontdekken – in de zomer zelfs met open wagons. Onderweg kun je onder meer het hoogst gelegen stationnetje van de landelijke treinmaatschappij SNCF aandoen, Bolquère op 1.593 meter, zover zijn wij niet meegereden. Ons retour station is Font Romeu Odeillo Via.



Train Jaune, of in het Catalaans de Tren Groc of plat Nederlands De Gele Trein.

Na deze fijne dagen op weg naar Spanje.